Genuanceerde meningen over dingen die mij opvallen – en andere schrijfsels!

Corona en kerstballen

Een van de onvermijdelijke bijwerkingen van het coronavirus is dat de beweging van steeds verdergaande globalisering omgebogen wordt; we gaan weer nationaliseren. Uit oogpunt van efficiëntie worden veel producten alleen in andere landen, vooral China, gemaakt. De wereld als onze voorraadkast. Wat allemaal prima werkt zo lang alles goed gaat. Dus geen haperingen in productie en logistiek, bijvoorbeeld bij een grote griepgolf. En zo lang het geen zaak wordt van leven of dood, bijvoorbeeld bij mondkapjes of beademingsapparatuur.

We waren allemaal hartstikke mondiaal en outgoing, maar in tijden van gevaar trekt iedereen zich weer terug in zijn eigen landje, net zoals iedereen zich nu terugtrekt met zijn gezin. We blijven mensen met goede bedoelingen, maar pas wanneer we eerst zélf voldoende voedsel en wc-papier in huis hebben, delen we dit met anderen.

De coronatijd is natuurlijk ook een tijd om te ontdekken wat écht belangrijk is. Eind februari hoorde ik nog een kerstballenimporteur op de radio vertellen over de gevolgen van de stilgevallen fabrieken in China. Hij rekende voor: de productie duurt X maanden en dan ook nog zoveel weken/ maanden voor transport, dus als ze nu beginnen, dan liggen de eerste kerstballen pas in september in de winkel.

Een maand geleden was dat dus nog een potentieel probleem: ‘pas’ in september kerstballen kunnen kopen. Nu zijn we eerst bezig met de vraag of we de Kerst überhaupt wel halen met zijn allen. En daarna kunnen we waarschijnlijk alsnog geen kerstballen kopen dit jaar, omdat fabrieken en logistiek wel wat beters te doen hebben. En is dat écht erg? Ja, wel voor die kerstballenimporteur natuurlijk en óók voor de tuincentra (maar die hebben hun omzet voor 2020 al lang al gehaald, dus zij mogen niet klagen). Maar wij kunnen best een jaar zonder nieuwe kerstballen. Kerstballen zijn, voor zover ik weet, geen wegwerpartikelen. Bij mijn ouders in de boom hangen ballen die mijn hele kindertijd hebben meegemaakt. Misschien komt daar eens in de paar jaar tijd eentje bij. Nou, in 2020 dan dus even niet.

En stel dat er mensen zijn die om gegronde redenen écht nieuwe kerstballen moeten kopen. Bijvoorbeeld omdat ze net (weer) op zichzelf gaan wonen, omdat hun huis is afgebrand, of omdat ze bekeerd zijn van hun minimalisme en weer normaal willen doen. Voor die mensen zijn er twee dingen. Een: de kringloopwinkel. En twee: creativiteit. Al bijna 10 jaar geleden brachten Arne en Carlos, twee Scandinaviërs met kennelijk te veel vrije tijd, het boek ‘Kerstballen breien’ uit. Je kunt je kerstballen dus breien, prima bezigheid in tijden van coronaverveling.

winter-1887181__480China is niet het enige land waar dingen gemaakt worden, ‘made in Holland’ is ook een optie. Ook hier kunnen we kerstballen maken. Lang niet zo goedkoop als in China, maar het kán. Als het niet op tijd lukt om er fabriekjes voor op te zetten, dan doen we het desnoods met de hand. We zouden er nu al mee kunnen beginnen (in China beginnen ze ruim voor Pasen met de kerstballen, laten wij aanhaken bij die traditie). Het lijkt mij een perfecte bezigheid voor al die mensen uit de cultuursector en de horeca die nu zonder werk zitten. Want kunst & gezelligheid in één product, dat is de kerstbal.

Maakt Nederlandsche waar, dan helpen wij elkaar!

Hoe mijn kat de coronacrisis ervaart

Zizi in steigerland

Het is verfrissend om met iemand in één huis te wonen die zich totaal niets aantrekt van deze hele coronacrisis. Die de mensen met wie ik videobel pontificaal haar poepgat toekeert, omdat geaaid worden voor haar het enige is dat telt. Toch beleeft ook zij op dit moment – toevallig precies tijdens onze coronacrisis – háár uitzonderlijke situatie, haar semi-lockdown.

Sinds vorige week vrijdag moet heel Nederland thuiswerken. Met uitzondering van bouwvakkers, die werken sindsdien bij mij thuis. En zo lagen er opeens twee enorme stapels steigerplaten in mijn tuin, zo hoog als ik zelf.

Vanaf haar positie op de deurmat kon de kat dat niet zien, dus ze mauwde dat ze naar buiten wilde. Zo’n soort situatie hebben we wel vaker, als het hard regent bijvoorbeeld en dat leidt dan tot de volgende dialoog:

Kat:        Mauw
Ik:           Ik denk dat jij niet naar buiten wilt. Het regent.
Kat:        Máuw!
Ik:           Maar het regent.
Kat, met pootje tegen deur: Mauauw!
Ik:           Weet je het zeker?
Kat, twee pootjes tegen deur: Maaaaaaaauw!
Ik doe deur open. Kat blijft in deuropening staan, merkt dat het regent en rent dan via mijn scheenbenen keihard terug naar de woonkamer.

Nu liet ik het gesprek achterwege. Ik deed rustig de deur open en zag de kat terugdeinzen. Een Enorme Berg Dingen Die Daar Normaal Niet Zijn! En Allemaal Lawaai! Met de staart tussen de benen kroop ze schielijk weg. Ze ging nog net niet onder de bank zitten.

Dat was vrijdagochtend. Vrijdagmiddag waren de mannen weg en lag het steigermateriaal nog steeds op precies dezelfde plek. Ik had nog ongeveer één vierkante meter tuin voor mezelf over. In mijn grieperige hoofd ontstonden doemscenario’s waarin door coronamaatregelen alle werkmannen en hijskranen wekenlang thuis moesten blijven en ik zelfs niet eens mijn túín in kon.

“Wil je naar buiten?” vroeg ik aan de kat. Zíj kon nog wel naar buiten, aan beide kanten van de steigerplanken was nog ongeveer 10 cm vrij. Toen ze zag dat er Een Enorme Berg Dingen Die Er Normaal Niet Zijn in de tuin stonden (katten hebben kennelijk het geheugen van een goudvis), maakte ze rechtsomkeert. De rest van de dag bleef ze binnen, schrikachtig reagerend op alles wat ik deed.

De volgende dag was een nieuwe dag. Ik deed weer de deur open, zij was wéér verbaasd, maar dit keer al minder geschrokken. Voorzichtig stapte ze naar buiten. Ze snuffelde aan de steigerplanken. Ze onderzocht of ze er langs kon kruipen. Rende toen weer naar binnen. Maar een uur later herhaalde dit tafereel zich en kwam ze zelfs een stukje verder.

Aan het einde van de dag zag ik haar bovenop de stapel staan. Dit was het nieuwe normaal geworden. Ze schrok nog steeds van elk onverwacht geluidje.

Mogelijk bleven de planken nog wel drie weken liggen. Ze zou dan zó gewend raken aan deze semi-lockdown, dat ze op de dag dat de tuin weer vrij was, opnieuw van slag zou zijn.

Zizi in steigerland

Fijne dag! Groeten op het flexkantoor

Tot een jaar of zes geleden werkte ik op kantoren waar iedereen een vaste plek had en je dus elke dag met elkaar op een kamer zat. Dat rijmt, maar helaas moesten we daarna gaan flexwerken. Hiermee veranderde het begin van mijn werkdag; niet langer automatisch computer aandoen, tas neerzetten, jas ophangen, inloggen, koffie halen, achter je computer gaan zitten (ik deed mezelf een beetje aan Maarten Koning uit Het Bureau denken). Maar: eerst een werkplek zoeken, je spullen uit je kastje halen etc etc.

Ook het einde van de werkdag veranderde. Voorheen zeiden mijn collega’s en ik altijd ‘tot morgen’ tegen elkaar (of bijvoorbeeld ‘tot donderdag’ tegen de collega die altijd vrij was op woensdag). Maar op het flexkantoor, met collega’s die opeens overal en nergens kunnen werken, was de ‘tot morgen’ niet langer vanzelfsprekend. Dus vervingen we deze door ‘fijne avond’.

Inmiddels merk ik dat niet alleen op kantoren, maar ook in winkels en cafés mensen elkaar steeds vaker een fijne avond/ fijne dag wensen. In plaats van een groet, zoals ‘dag’, ‘tot ziens’, of ‘doei’ wénsen mensen elkaar nu dingen!

Zou dat de tijdgeest zijn, passend bij alle “Do more of what makes you happy” spreuken en alle Instagram-extraversie? Want het lijkt erop dat mensen tegenwoordig als ze even niet op hun smartphone zitten, juist méér contact maken. Zo’n groet wordt langzamerhand steeds meer vervangen door een wens, blijkbaar. Interessant!

Totdat ik me opeens realiseerde dat ‘tot ziens’ óók een wens is. En dat ‘dag’ eigenlijk een verkorting is van ‘goede dag’ en dat dat dus van oorsprong betekende dat je iemand een goede dag wenste.

We wensen elkaar dus nog stééds goede dingen, alleen dan in nieuwe woorden. Waardoor het weer betekenis heeft gekregen. Is dat flexwerken toch nog ergens goed voor.

Fijne dag verder!

In het Engels klinkt je eten hipper

Garden Gourmet balletjes

Ik vraag me af waarom ik deze blog überhaupt nog in het Nederlands schrijf, want tegenwoordig hoort alles in het Engels, blijkbaar. Maar over dingen die je nauwelijks kunt veranderen, kun je je het beste alleen maar verwonderen. Wat ik in het geval van buitenlandse invloeden in onze taal graag doe, quad erat hierbij demonstrandum.

IMG_20180412_185427 (600x800)

Mijn taalliefhebbende oog viel op de verpakking van het vegetarische merk Garden Gourmet dat “made from ingredients you know” roept. Op het woord ‘balletjes’ na (dat klinkt blijkbaar leuker in het Nederlands) zijn alle woorden die je zonder leesbril kunt lezen in het Engels. Terwijl de verpakking zich duidelijk richt op Nederlanders.

“Made from ingredients you know” is in het geval van vleesvervangers geen sterk argument trouwens. Toen mijn destijds tienjarige broer op een boerencamping de super schattige koetjes leerde kennen die de ingrediënten vormden van zijn gehaktballetjes, werd hij acuut vegetariër.

De meest gehoorde klacht van taalpuristen is het nodeloos gebruiken van buitenlandse (meestal: Engelse) woorden wanneer daar een prima Nederlands alternatief voor is. Waarom niet gewoon “Gemaakt van ingrediënten die je kent?” Nou ten eerste omdat je dan dus opeens inziet dat het een onzinargument is. Je kunt met taal heel wat bullshit verbloemen, dat weten marketingmensen maar al te goed. Dingen klinken beter in een andere taal. Juist omdat het niet je moedertaal is klinkt het exotischer, spannender en interessanter. ‘Vegan’ klinkt veel minder vies dan ‘veganistisch’, ‘overnight oats’ 1000 keer hipper dan ‘’s nachts geweekte havermout’ en ‘made from ingredients you know’ veel overtuigender.

Overigens waren de Engelsen zelf ooit nog veel beter in het overnemen van vreemde woorden in hun taal. Bijna een derde (29%) van de huidige lingua franca bestaat uit Franse woorden! Denk aan woorden als information, attention, comfortable et cetera (read more). Maar vooral véél woorden over eten: menu, salade, restaurant (hee, die woorden kennen wij ook!). Het meest intrigerend vind ik dat Engelsen verschillende woorden hebben voor een dier en het vlees van dat dier:

  • Pig – pork (Frans: porc)
  • Cow – beef (Frans: boeuf)
  • Chicken – poultry (Frans: poulet)
  • Sheep – mutton (Frans: mouton)

Eeuwenlang was Frans de taal van de Engelse elite. Zij gebruikten niet de ordinaire eigen woorden om het stukje varkens- of rundvlees op hun bord aan te duiden, maar de sjiekere Franse termen.

And isn’t it ironic: in Nederland, waar wij ook eeuwenlang Franse woorden leenden om onze eigen taal op te fleuren, worden hippe stukjes vlees nu ‘beef’ genoemd, of ‘(pulled) pork’. Geleend van onze Engelse buurman, die het weer van zijn Franse buur geleend heeft.

Vrijwel alle woorden op de voorkant van de vegetarische balletjes-verpakking (garden, gourmet, simply) komen oorspronkelijk uit het Frans. Ook het woord ingredients heeft, net als ons woord ingrediënten, een Franse oorsprong (en komt uiteindelijk uit het Latijn, maar dat vindt alleen Thierry Baudet een hippe taal).

Enfin. Anglicismen an sich zijn steeds meer bon ton, constateerde De Speld 5 jaar geleden al. Ergens mogen we zelfs blij zijn dat vegetarische balletjes inmiddels zo normaal zijn, dat ook zij verkocht mogen worden met hippe Engelse woorden.

 

Lees ook:

De verborgen impact van verlaten festivaltentjes

We mogen nauwelijks meer douchen, de plantjes hangen slap en de brandweer is super alert op natuurbranden. Het is al weken bijna tropisch warm en we hadden een van de droogste juni’s sinds het begin van de neerslagtelling.

Dat was twee jaar geleden wel anders. Toen regende het ongeveer elke dag in juni heftig en stond de oogst weg te rotten op de akkers. Maar het allerergste was wel de situatie op het festival Down the Rabbit Hole. De grasvelden waren daar zo verzengd van water dat auto’s moesten uitwijken naar parkeerplaatsen op 20 km afstand. Op de camping ontstonden modderpaden waar je met je laarzen zo diep in weg zakte waardoor wandelen meer leek op wadlopen. Lekker op de grond zitten was er niet bij, tenzij je een extra plastic grondzeiltje had weten te bemachtigen.

Ondanks het gehannes met de modder bleef ik tot het einde op het festival. We deden het rustig aan die maandagochtend, pas om 5 voor 12 hadden we al onze tenten ingepakt. Op weg naar de uitgang liepen we langs een slagveld van achtergebleven plastic zeiltjes, lege bierblikjes, volle bierblikjes zelfs. En vooral: extreem veel achtergelaten tenten. Om de paar meter lag er een iglotentje, pop-uptentje of verlaten partytent in de blubber, neergehaald door de securitymannen. Duizenden mensen hadden besloten dat ze geen zin hadden om hun licht modderige tent in te pakken en mee te nemen in de pendelbus.

Extreem veel regen, extreme droogte, hoe kan dat? Twee mogelijke verklaringen:

  1. We hebben te maken met klimaatverandering: door onze historisch en hysterisch hoge CO2-uitstoot dragen we bij aan het broeikaseffect waardoor de temperatuur op aarde stijgt. En Nederland dus warmere zomers heeft – met moessonregens dan wel saharadroogtes tot gevolg.
  2. Het is toeval.

Laten we uitgaan van optie 1, zoals ze ook doen bij klimaattoppen enzo (in het geval  van de natte juni 2016 is het zelfs bewezen). Dan kunnen we namelijk ook gaan kijken of we deze klimaatproblemen binnen de perken kunnen houden.

Wat heeft de meeste impact qua CO2-uitstoot? Niet de auto, ook niet het eten van vlees – dat staat op nummer 2. Maar spullen. Voor het vervaardigen van spullen, zowel het materiaal als het in elkaar zetten, en het vervoeren daarvan wordt superveel energie verbruikt. De verborgen impact vertelt hier meer over.

Je kunt wel vegetariër zijn en altijd alleen maar met het OV reizen, maar als je dagelijks shopt bij Primark, Action, AliExpress en andere winkels waar ze spullen verkopen die je eigenlijk meteen weer weg kunt gooien, dan doe je je hele milieubijdrage alweer teniet. Die duizenden tentjes die achterbleven op het modderige festivalterrein vertegenwoordigen een indirecte CO2-impact van ik-weet-niet-hoeveel. (Google heeft hier zo gauw geen antwoord op. Maar bedenk maar eens dat de stof en de stokken allemaal gemaakt zijn in een fabriek en dat de tentjes helemaal vanuit –meestal- China hier naartoe verscheept worden, en je snapt dat de CO2-uitstoot niet niks kan zijn.)

Dus: doordat mensen elke keer een nieuw festivaltentje kopen, verandert het klimaat. En dat pakt dit jaar best goed uit voor festivals, maar in de Russische roulette van dit klimaat is een modderig Drown The Rabbit Hole óók een mogelijkheid.

Nou en? Denkt de gemiddelde festivalbezoeker nu misschien, zoals gemiddelde festivalbezoekers eigenlijk de gehele dag door denken. Op festivals wordt iedereen allemaal even lekker onbewust, zelf gooi ik bijvoorbeeld óók zonder schroom mijn plastic bierbeker op de grond. Het wordt allemaal toch wel opgeruimd. En,  super goed argument, iedereen doet het.

We moeten er dus voor zorgen dat het niet meer normaal is om je tent achter te laten. Door tenten duurder te maken, een tententax? (maar hoe regel je dat?) Door een boete/beloningssysteem op het festival zelf? (maar dat kost te veel tijd) Zorgen dat mensen alleen nog maar composteerbare tenten, of de Kartent, gebruiken? Meer festivaljutters inzetten?

Ik weet het niet. De impact op het klimaat is zo complex, dat het lastig te zeggen is of dit zoden aan de dijk zet, of dat het slechts een druppel op een verdord bruin grasveld is.

Meer lezen:

De klank van karamel met zeezout

Over het algemeen is de wereld sinds de millenniumwisseling nog precies hetzelfde gebleven, maar één ding is toch sterk veranderd. En dan heb ik het over het toevoegen van zeezout aan karamel en/of chocolade.

Ik wil mezelf gráág een voorloper noemen (wie wil dat niet?), want in 1999 at ik al zoute chips en m&m’s door elkaar en dat vonden meerdere mensen toen raar. Chocolade met zout is een gekke combinatie, was toentertijd de communis opinio. Als je in die tijd mensen op straat had gevraagd of zij ooit chocolade met zout zouden kopen, dan zou je ongetwijfeld antwoorden krijgen als:

  • “Ik zie het nut er niet van in.”
  • “Waarom zou je iets zoets met iets zouts mengen?”
  • “We hebben het jaren zo gedaan en ik vind het wel goed zo.”

In 2012 lanceerde Tony Chocolonely chocolade in de smaak karamel/melk/zeezout en daarna is iedereen helemaal los gegaan. Zelfs Mona heeft nu karamel zeezout pudding én karamel zeezout vla in het assortiment en iedereen weet dat Mona nu niet bepaald het merk van de early adopters is. Karamel-zeezout is dus here to stay. Maar dat allemaal even terzijde.

lees verder na het plaatje!

Karamel zeezout cross selling

Wat mij het meest intrigeert is dat er bij deze smaakcombinatie met karamel/ chocolade consequent over zeezout wordt gesproken. Niet gewoon ‘zout’, maar ‘zeezout’. Aan vrijwel al ons eten wordt zout toegevoegd en daar besteedt behalve de Nierstichting (en wat health freaks) niemand aandacht aan. Eenvoudig keukenzout (natriumchloride) voldoet dus prima als smaakmaker. Volgens sommigen heeft zeezout meer smaak, omdat hier naast natrium ook sporen van nog andere mineralen in zitten. Maar je moet wel van erg goede huize komen wil je dát verschil proeven wanneer die minieme hoeveelheden mineralen bedolven zijn onder de suiker en cacao.

Dus waarom dan zeezout? Nou, omdat dat dus beter klinkt. En daarmee bedoel ik niet alleen luxer, het klinkt echt beter. De verklaring vinden we in de poëzie.

Ten eerste het metrum. Vergelijk maar eens:

Karamel met zeezout  –  Karamel met zout
Chocola* met zeezout  –  Chocola met zout

(*formeel natuurlijk chocolade, maar zo zegt niemand het)

Als je spreekt over gewoon ‘zout’, dan valt de klemtoon plompverloren op de lettergreep ‘zout’. Dat is een gesloten lettergreep (eindigend op een medeklinker), dus je kunt na het uitspreken van de laatste letter niets meer doen, de ‘t’ zorgt voor een abrupte stop. Bij zeezout ligt de klemtoon op ‘zee’ en die open lettergreep kun je heerlijk verlengen: zeeezout. Sowieso wil je veel liever de nadruk leggen op het woord zee, want bijna iedereen heeft daar positieve associaties bij: strand, vakantie, zon enzovoort. Bij de nadruk op ‘zout’ moet ik vooral denken aan die regel uit ‘Oh wie klopt daar kinderen’, waarin Sinterklaas zegt wat stoute kinderen krijgen: “Of een zakje met wat zout”.
Zout = fout, dat is wel duidelijk.

Daarnaast creëer je door het woord ‘zee’ toe te voegen ook nog eens een heerlijke alliteratie: zeezout. En alliteraties vinden we fijn, ze worden niet voor niets veel gebruikt in reclame.

Overigens heb ik niet geverifieerd of er in al die ‘met zeezout’ lekkernijen ook daadwerkelijk zeezout zit. Ik ga er van uit dat de Voedsel en Warenautoriteit dat wel in de gaten houdt (of de nog wakkerder waakhond Foodwatch). Maar welk zout het is maakt eigenlijk niet uit. Het oor wil namelijk ook wat – en de klank van zeezout smaakt sowieso het best.

Lees ook:

Scène in de trein

Op de paarse stoel tegenover me liggen twee verfrommelde bruine papieren zakjes. Een wat oudere man, kaal en met een aktetas, zoekt een zitplaats. Hij ziet de proppen papier. De prullenbak bij het raam is niet stuk en zit óók niet vol met afval. Een voor een pakt de man de bruine zakjes van zijn stoel en gooit ze op de grond.

Ik merk dat het meisje naast me, type schattige studente van 21, er ook naar kijkt. “Er is ook een prullenbak”, zegt ze.
De man is even stil. “Ja maar mevrouw, ik heb het daar niet neergegooid”, zegt hij tegen het meisje.
“Maar dan hoef je het toch niet op de grond te gooien”, antwoordt zij.
Hij zegt niets meer en het wordt stil.

Ik kijk naar buiten en zie opeens de letters ‘stilte’ op het raam staan. “Dit is een stiltecoupé”, sis ik naar het meisje en de man. Verbluft kijkt het meisje me aan. De man wordt rood.
“Ja maar zij begon met praten!” reageert hij.
“Maar dan hoef je toch niet terug te praten”, sis ik terug.
“Ja maar zij!” roept hij boos.
“Ja hallo, hij gooide zomaar die papiertjes op de grond!”, roept het meisje. “Dat is toch niet normaal!”
Ik kijk haar dreigend aan.
“Nou, het is toch zo”, fluistert ze.

De slapende man schuin tegenover me begint hard te snurken. De oude man trekt geïrriteerd zijn wenkbrauwen op. “En hij dan!” sist hij naar mij. “Dan moet je daar ook wat van zeggen!”
“Jezus meneer, doe niet zo kinderachtig”, snauwt het meisje.

In de vierzits naast ons schraapt iemand nadrukkelijk zijn keel.

Het merels-in-de-tuin-dilemma

De merels in mijn tuin hebben verkeerd gegokt. Het leek inderdaad een prachtig plekje: ruim voldoende dorre takjes en blaadjes om een nest mee te bouwen en een dagelijkse aanvoer van broodkruimels, appelklokhuizen en andere etenswaren. Alsof je woont in de Ikea en de Albert Heijn tegelijk. Tel daarbij op dat mijn tuin ten opzichte van de keurig nette buurtuinen wél beschutting heeft, in de vorm van doorgeschoten struiken, en ik snap best dat dit merelstel mijn tuintje heeft uitgekozen om er een nestje te bouwen.

Aan één ding hadden de merels echter niet gedacht toen ze het plekje onder de klimop uitkozen. Namelijk dat, zodra het mooi weer is, ik altijd in die hoek van de tuin zit.

Eigenlijk had ik eerder moeten ingrijpen. Ik had al wel gemerkt dat het merelechtpaar opvallend vaak in mijn tuin rondliep. Vertederd had ik uit het raam toegekeken hoe het merelvrouwtje dorre blaadjes verzamelde en ik zei tegen mezelf dat ik nou nooit zo keek naar dikke vrouwen die nestspulletjes bij elkaar zoeken bij de Prénatal.

Als ik toen de moeite had genomen om mijn tuin in te stappen dan had ik het nestje kunnen ontdekken toen het nog maar in de opzetfase was. Nu was het al helemaal klaar. Mooi rond van gebogen takjes, geen straaltje licht kwam er doorheen. Ik hield mijn telefoon boven het nest om een foto te maken en zag dat er gelukkig nog geen eitjes in lagen.

merelnest

Arme merels. Wekenlang dag in dag uit bezig geweest om een prachtige babykamer in te richten. En dan blijkt opeens dat pal naast die babykamer zo nu en dan een angstaanjagend grote reus gaat zitten in een tuinstoel, met een schrijfblok en een pot thee (maar die concepten kennen merels misschien niet). Waardoor je opeens je babykamer niet meer in durft.

Ik weet wat ik moet doen. Wekenlang voor niets aan een nestje bouwen is zielig, maar nog honderd keer zieliger is dat je niet bij je eitjes durft te komen, of dat je vogelbaby’tjes verstoken blijven van voedsel omdat die ellendige reus het aan- en afvliegen verhindert. En niet te vergeten: ik weet ook dat de jonge merels het straks allemaal zullen afleggen tegen mijn kat. Niet alleen een reus: ook een leeuw sluipt er rond in deze tuin.

Op het moment dat ik dit schrijf zit de vrouwtjesmerel zo ongeveer naast me op haar nest. Haar snavel en haar oog steken waakzaam boven de rand van het nest uit. Lijkt me een machteloos gevoel. Dat je doorhebt dat er iemand over je zit te schrijven en dat je daar niets aan kunt doen.

Meneer Merel cirkelt ondertussen zenuwachtig om mijn tuin heen. Dan zit hij op de ene schutting, dan weer achter me op het dak en op de schutting links. En dan op de schoorsteen van het huis aan de overkant, waar hij alles kan overzien. Ondertussen roept hij gestrest kwetterend naar zijn vrouw dat de kust nog steeds niet veilig is.

Dat weet ik ook wel, denkt zij geïrriteerd, maar ze houdt wijselijk haar snavel, want dat hebben haar reflexen haar geleerd.

 

merelvrouwtje-op-nest (2)

Zo schrijf je overtuigende teksten die iedereen aanspreken

Houd bij het schrijven rekening met de vier verschillende typen mensen uit het DISC-model. Resultaat: teksten die voor iedereen waardevolle informatie bevatten.

Hoe je dat precies doet vertelde Stijn Verdickt tijdens zijn workshop op het Schrijfevent 3.0 van Taaluilen.

Wat, hoe, wie en waarom

De vier verschillende typen aanspreken doe je zo:

  • Rode dominante types willen gewoon snel voordelen en oplossingen horen (Wat). Zet die dus kort en krachtig bovenaan in je tekst.
  • Gele, interactieve mensen willen vermaakt worden én zijn gericht op persoonlijk prestige. Zij willen graag leuke dingen zien in een artikel: foto’s, plaatjes en hippe termen. Maar vooral willen ze horen hoe hun imago verbetert dankzij jouw product/dienst (Hoe).
  • Groene, stabiele mensen zijn begaan met andere mensen. Zij zijn geduldiger, loyaler en worden als lezer graag betrokken. Deze groep wordt blij van persoonlijke contactgegevens (Wie) onderaan de pagina.
  • Blauwe, consciëntieuze types willen dat iets klopt én ze precies weten hoe iets zit (Waarom). Deze lezers worden blij van alinea’s vol facts en figures.

Lees verder

Vrouwen denken maar aan drie dingen (volgens O.B.)

Een van de belangrijkste uitgangspunten van marketing is: sluit aan bij je klant. Bij O.B. (klanten: vrouwen) weten ze dat natuurlijk heel goed. De boodschap van O.B. is: “Koop O.B.-tampons. Die werken zo goed, dat je helemaal niet meer aan je menstruatie hoeft te denken.” Dat is natuurlijk heel fijn, want als vrouw heb je inderdaad veel belangrijkere dingen aan je hoofd dan maandelijkse ongemakken.

ob-facebook

Oh oh oh O.B.

Alleen bij de uitwerking ging het mis, in een  idiote post op Facebook. Na een felle tweet van Lisa Bouyeure dook Teun van de Keuken dieper in deze holle frase van OB.

Dat een man contact opnam over zo’n typisch vrouwenonderwerp was eigenlijk heel logisch. Uit zijn column bleek dat de tampon- en maandverbandindustrie een wereld is die volledig gedomineerd wordt door… mannen. Op de beurs voor hygiëneartikelen die de Keuringsdienst van Waarde ooit bezocht was geen vrouw te bekennen. Ik vermoed dat er bij O.B. Nederland überhaupt geen vrouwen werken.

Lees verder